[ links]   []   [archief]   [index]

[<<<] [Project 0] [>>>]

"Romeins Brabant een gezicht geven"

Romeins Brabant een gezicht geven
trefwoorden: Brabant - Romeins - Tilburg - 1e eeuw
Bart van den Hurk groeide op in Best en was als kind regelmatig te vinden op de woeste grond bij wat bekend stond als De Putjesbergen.
"Daar zat de gloeiige mens, zo maakten de kinderen elkaar wijs." Toen Van den Hurk twaalf was, hoorde hij dat het woord putjes dialect was voor potjes en dat het terrein eigenlijk een prehistorisch urnenveld was.
"Toen wilde ik er alles over weten", aldus de inmiddels 70-jarige Tilburger. "Maar ik kreeg geen enkel respons. Er waren geen boeken over, niemand interesseerde zich ervoor. Dat vond ik vreselijk." Eenmaal op de middelbare school in Eindhoven kreeg Van den Hurk als leraar Nederlands Hein Mandos, een van de oprichters van Brabants Heem. "Hij stimuleerde mijn belangstelling, gaf mij dingen om te lezen." Van den Hurk ging in Nijmegen klassieke talen studeren en koos als hoofdvak voor Romeinse archeologie van Nederland. Hij schreef vervolgens een doctoraalscriptie over de graven aan de Kollenberg in Esch. Op die plek, vlakbij de Essche Stroom, vond in 1950 ene Jan Ruys stukken aardewerk, die hij thuis op de kast zette. Twee jaar later vond hij weer enkele scherven, maar ook glas. "Het was hét moment dat bewezen werd dat Brabant een Romeinse geschiedenis heeft", vertelt Van den Hurk. Toen de graven officieel werden opgegraven, bleken deze vele grafgiften te bevatten.

Puntgaaf
In 1959 werden bij de familie Van der Meijden aan de Haarenseweg in Esch nog eens vier graven gevonden. Dat bleken nog rijkere graven te zijn. Tot ieders verrassing kwam er een puntgaaf, barnstenen beeldje van Bacchus naar boven, waarvan een weergave in brons op de pomp in Esch te zien is. Over alle zeven graven van Esch schreef Van den Hurk vervolgens een proefschrift bij professor Jules Bogaers. En dan nu de link tussen Esch en Viataal (voormalig Instituut voor Doven in Sint-Michielsgestel), waar Van den Hurk al tien jaar als archeoloog en conservator in het oudheidkundig museum werkt. Op 12 mei 1973 vond broeder Celestinus van het instituut in Halder een pottenbakkersoven, die dateert van ongeveer 75 na Christus. Het is nog steeds de enige oven uit die tijd die in het stroomgebied van De Dommel is gevonden. Het toeval wil dat deze broeder afgelopen 12 mei, dus exact dertig jaar na zijn belangwekkende vondst, helaas is overleden. Van den Hurk: "Vanaf 1962 hebben broeder Celestinus en broeder Arno zich vanuit dit instituut heel intensief beziggehouden met Halder. Dat was een vervolg op de grote vondst van ongeveer vijfduizend munten, die nogal wat publiciteit opleverde." "De belangstelling voor de Romeinse tijd in Brabant groeide enorm", aldus de archeoloog. "Zeker omdat er tot 1960 aan deze kant van de Peel eigenlijk nog niks gevonden was uit de Romeinse tijd. Ja, op een paar verdwaalde munten en aardewerkscherven na." "In die tijd werd er veel zand gewonnen, ook op het terrein van het Instituut voor Doven in Halder. De twee broeders gingen er kijken en zagen heel veel scherven liggen. Er bleken in de Romeinse tijd echt mensen op die plek te hebben gewoond. De broeders bekwaamden zich in korte tijd tot zeer ervaren amateur-archeologen."

Nederzetting
De vondst van de pottenbakkersoven, de scherven, maar ook zeven waterputten hebben duidelijk gemaakt dat in Halder van 50 na Christus tot in de vierde eeuw een nederzetting heeft gelegen. Wat voor soort nederzetting is nog altijd niet helemaal duidelijk. "Het zou kunnen dat er een soort ambachtencentrum was en wellicht een ijzersmelterij, want er zijn ook veel slakken gevonden. En we hebben het vermoeden dat het centrum of die smelterij werd uitgebaat door mensen uit Esch, die er een stevige boterham aan verdienden." Van den Hurk brengt de scherven, waarvan een deel in het museum ligt, tot leven als er weer eens een schoolklas een bezoek brengt aan het Oudheidkundig Museum, dat gevestigd is in de voormalige jongenskapel van het instituut. Als hij lezingen geeft, over bijvoorbeeld de graven in Esch, komen mensen regelmatig naar hem toe met scherven, munten en soms ook sieraden. "Dan is vooral belangrijk waar ze die gevonden hebben. En heus niemand hoeft bang te zijn -dat hij zijn vondst moet afstaan aan het museum. We helpen graag bij de determinatie."
Het Oudheidkundig Museum, aan de Theerestraat 42 in Sint-Michielsgestel, is elke dinsdag van 10.00 tot 16.00 uur open en verder elke eerste zondag van de maand van 13.00 tot 16.00 uur.
bron: Brabants Dagblad, 3 juni 2003