[ links]   []   [archief]   [index]

[<<<] [Project 0] [>>>]

Cultuurnota 2005-2008 (2)

Advies Cultuurnota 2005-2008 (2)
Raad voor Cultuur
Archeologie
Ook de archeologie is volop in ontwikkeling. De vraag naar archeologen is enorm gestegen, het arbeidsperspectief van afgestudeerden is veelbelovend en het aantal (populaire) publicaties neemt gestaag toe. De wetenschappelijke opleidingen voor erfgoedstudies floreren momenteel. De sterke groei van de studentenaantallen heeft vooral betrekking op de studies die zich in de masterfase richten op de combinatie van erfgoedbeheer, planologie en (project-)management. Ook de publieke
belangstelling voor cultuurhistorie in het algemeen en archeologie in het bijzonder neemt toe. Recentelijk heeft de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) de zogeheten Archeologiebalans 2002 gepubliceerd, een eerste editie van een longitudinaal onderzoek dat eens per vijf jaar zal worden uitgevoerd. De Raad voor Cultuur beschouwt de verzameling facts and figures van de Archeologiebalans als belangrijk vertrekpunt van zijn deelanalyse.
Het Europese Verdrag van Malta (1992) is van groot belang voor de her- en erkenning van het cultuurhistorisch bodemarchief. Het verdrag kent een aantal uitgangspunten. Zo is vastgelegd dat het archeologisch erfgoed in zijn natuurlijke
omgeving (‘behoud in situ’) moet worden beschermd. Daarnaast dient de archeologie een volwaardige positie – dus vroegtijdig – in ruimtelijke planprocessen te krijgen.
Ook moeten de verdragondertekenaars de archeologie onder de aandacht brengen van een groter publiek en zorgen voor voldoende financiële middelen voor archeologisch onderzoek. Toch is de uitvoering van het verdrag in Nederland na tien
jaar van discussie erg instrumenteel van karakter.
In afwachting van de noodzakelijke aanpassing van de Monumentenwet wordt het zogenoemde Interimbeleid gevoerd; dat is totstandgekomen in samenspraak met de archeologische vakgemeenschap. Er is bovendien een aantal instituties opgericht
dat toeziet op het Nederlandse archeologisch bestel. Onlangs is ook de opgravingmarkt opengesteld voor particuliere ondernemingen. Momenteel wordt door het beroepsveld onderzocht op welke wijze een beroepsregister met bijbehorend
systeem van certificering voor individuele archeologen kan worden opgezet. Een moeizaam (interdepartementaal) bestuurlijk en maatschappelijk proces, een licht kritisch advies van de Raad van State en (onvoorziene) kabinetswisselingen hebben
er toe geleid dat ‘Malta’ tien jaar na ondertekening nog steeds niet van kracht is geworden in onze nationale wetgeving. Het uitblijven van wettelijke bepalingen kan grote consequenties hebben: partijen die het archeologisch belang van bepaalde
vindplaatsen bij de rechter ter discussie stellen, staan vooralsnog juridisch sterk.
Het spreekt voor zich dat een spoedige invoering meer dan noodzakelijk is. De Nederlandse overheid heeft het implementatieproces van het Verdrag van Malta sterk vanuit de uitvoeringspraktijk benaderd. Hierdoor is te weinig aandacht
besteed aan de eveneens in het verdrag opgenomen bepalingen over de archeologische monumentenzorg (bescherming), de informatieoverdracht aan het publiek en de wetenschappelijke output.
De vrije opgravingmarkt veroorzaakt een scheiding in contractarcheologie en archeologiebeleid, waarbij het besluit tot wel of niet opgraven tot politiek issue is geworden. Correcties op het besluit tot (laten) opgraven zijn bijvoorbeeld nauwelijks
mogelijk. Opgraven is voor veel marktpartijen een kernactiviteit, hetgeen op gespannen voet staat met de uitgangspunten van Malta. De vrees bestaat dat niet Malta, maar de teruggang in de economische conjunctuur tot minder opgravingen
zal leiden. Ook bestaat er een natuurlijke spanning tussen het concept van ‘behoud in situ’ en het streven naar grotere publieke betrokkenheid en belangstelling. De boodschap dat het opgraven tot vernietiging van het bodemarchief leidt, is moeilijk tot niet aan het grote publiek uit te dragen.
Bij de implementatie is weinig aandacht uitgegaan naar de zogenoemde procesarchitectuur van het bestel. De rijksoverheid heeft geen bestel (vergelijk het architectuurbeleid met zijn instellingen en subsidies) gecreëerd, waarin taken en posities van instellingen zijn gedefinieerd of waar een kwaliteitsbeleid wordt vormgegeven. Hierdoor zijn onduidelijke situaties ontstaan waarin (particuliere) instellingen uiteenlopende en soms conflicterende taken naar zich toe hebben getrokken. Het is mogelijk dat zij dit doen in de verwachting dat ze die taken na de vaststelling van de nieuwe Monumentenwet kunnen blijven uitvoeren. Daar komt bij dat de ROB zijn kerntaken op zodanige wijze heeft geformuleerd, dat (gesubsidieerde) instellingen typische rijkstaken naar zich toe hebben getrokken.
Opgegraven vondstcomplexen worden ondergebracht in provinciale of gemeentelijke depots voor bodemvondsten. De provinciale depots moeten een belangrijke rol vervullen in het publieksbereik. Daar moeten belangstellenden de opgeslagen
kennis kunnen raadplegen, fysiek of virtueel, bij voorkeur in samenwerking met de regionale archieven. De provinciale depots bevinden zich in verschillende stadia van transformatie. Overigens vindt in een aantal gevallen intensieve samenwerking met lokale en regionale musea plaats, waar het mogelijk is op professionele wijze de vondsten met het achterliggende verhaal te presenteren aan een breed publiek.
De Archeologiebalans 2002 is een grote stap voorwaarts in het beter in beeld brengen van de Nederlandse archeologie in relatie tot de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen. Door het tijdig signaleren van deze ontwikkelingen kan de kwaliteit
van archeologisch bodemarchief worden gemonitord. Samen met de in ontwikkeling zijnde Nationale Onderzoeksagenda (NOA) biedt dit een perspectief op het selecteren en waarderen van archeologische monumenten. Idealiter dient de
onderzoeksagenda aandacht te besteden op welke wijze vorm en inhoud kan worden gegeven aan het bereiken van het publiek. Door een overkoepelend publieksbeleid te ontwikkelen, is het mogelijk op bovenlokale en regionale schaal inhoudelijke afwegingen te maken om al dan niet tot onderzoek en opgraving over te gaan. Indien elders het publiek kan worden bereikt, kunnen op een andere plaats opgravingwerkzaamheden worden voorkomen.
De Archeologiebalans 2002 stelt dat er in Nederland relatief veel kennis bestaat over de geschiedenis van onze steden, zeker in vergelijking met het landelijk gebied. Maar juist in de steden vindt veel archeologisch onderzoek plaats (sommige
schattingen gaan zelfs uit van 50 procent van alle opgravingen) en is veel kennis en deskundigheid ontwikkeld. In de beoogde wetgeving is de bepaling opgenomen dat voor terreinen die kleiner zijn dan 500 m 2 geen archeologisch onderzoek nodig zou
zijn. Een Utrechtse inventarisatie heeft echter duidelijk gemaakt dat 70 procent van de opgravingen die sinds 1972 zijn uitgevoerd, onder de genoemde norm zit. De rol van de gemeentelijke archeologie kan niet worden onderschat als het erom gaat te voorzien in de publieksdoelstelling van het Verdrag van Malta. Bovendien kan de gemeentelijke archeologie een belangrijke rol spelen in het onder de aandacht brengen van cultuurhistorische waarden in lokale planvormingprocessen. Volgens de Archeologiebalans is er eveneens sprake van een grote achterstand in de archeologische uitwerking voor de periode 1940-1992 die wordt gekenmerkt door noodonderzoek. Op dit moment vindt een inventarisatie plaats van de
achterstanden en de daarvoor benodigde financiële middelen. Het Verdrag van Malta kent overigens de bepaling dat alle ondertekenaars voldoende financiële middelen moeten vrijmaken voor onderzoek.
Nederland kent ongeveer 1700 beschermde archeologische terreinen. In het kader van een actualisering van het monumentenregister wordt nu het register van archeologische monumenten gecontroleerd en geactualiseerd. De Raad laat nu
onderzoeken welke monumenten op termijn van de lijst zouden moeten verdwijnen in verband met hun slechte fysieke staat. In de Archeologiebalans 2002 is een lijst van selectiecriteria opgenomen; de juridische status daarvan is echter onbekend.
Het begrip ensemblewaarde behoeft een nadere en zorgvuldige definiëring: een verzameling objecten vormt en vertelt niet altijd een samenhangend geheel en vertelt evenmin in alle gevallen een gemeenschappelijk verhaal. Anders bij de gebouwde monumentenzorg bestaan er voor bescherming en beheer van monumentale archeologische terreinen géén fiscale of financiële faciliteiten / prikkels. Behoud en bescherming zijn daarmee moeilijk te stimuleren.