[ links]   []   [archief]   [index]

[<<<] [Project 0] [>>>]

Breda's Museum, honderd jaar schatbewaarder

Breda's Museum, honderd jaar schatbewaarder
BN/De Stem, 120403
Breda's Museum bestaat dit jaar precies een eeuw. Dit landelijke museumweekeinde viert de instelling aan de Keizerstraat/Parade, die jaarlijks 25.000 bezoekers trekt, haar honderdste verjaardag.
Iedereen mag het museum vandaag en morgen gratis binnen, beide dagen van tien tot vijf. Naast de vaste tentoonstellingen kunnen de bezoekers Schatten van Breda's Museum en C.C. Huijsmans (1810-1886), Vincents leraar bezichtigen.
Speciaal ter gelegenheid van het eeuwfeest is vanaf vandaag het boekje Schatten van Breda's Museum te koop. De honderd foto's en beschrijvingen van collectiestukken die nu zijn gebundeld, verschenen eerder als serie in de stadseditie van deze krant. Op de gelijknamige expositie zijn zeventig van die honderd museumschatten te zien, tot 25 augustus.

Notabelen
In de herfst van 1902 steken enige notabelen uit Breda de koppen bij elkaar. Wethouder J. van Hal, archivaris J. Corstens, architect E. de Wolf en J. baron van Keppel buigen zich over de vraag of de stad een gemeentemuseum moet krijgen. Een halfjaar later richten ze daarvoor de 'Vereeniging Stedelijk Museum voor Geschiedenis en Oudheid-kunde' op.
Om te beginnen mag de vereniging tentoonstellingen van bijvoorbeeld oude brandweerspullen en een 17e-eeuwse miniatuur van de Grote Toren inrichten in het stadhuis aan de Grote Markt, in het deel van de huidige VVV-winkel. In 1932 verhuist het museum naar de boterhal aan de andere kant van de markt, tegenwoordig een grandcafé, waar ook voor de bisschoppelijke verzameling plaats is. De huidige huisvesting in de voormalige Chassékazerne betrekt het museum in 1998.
"Er verandert in het begin van de 20e eeuw veel in de maatschappij. Met de industrialisatie, de opkomst van communicatiemiddelen als telefoon en telegraaf en de uniformering van het staatsbestel verdwijnen er andere zaken. De klederdracht in de Baronie bijvoorbeeld verdwijnt al in de 19e eeuw. In Zeeland gebeurt dat na 1953, pas dan heffen de Deltawerken het isolement van de eilanden op. Om het eigen erfgoed te behouden, worden rond 1900 in veel steden musea opgericht. Breda, dat altijd een redelijk open stad is geweest, is geen uitzondering", zegt Jeroen Grosfeld, die sinds 1987 directeur is van Breda's Museum.

Financiële band
De vereniging uit 1903 zal het museum tot 1970 besturen en steunen. Maar doordat de financiële band met de gemeente steeds belangrijker wordt, worden aanvankelijk de Stichting Stedelijk Museum en Stichting Bisschoppelijk Museum opgericht. Halverwege de jaren negentig is de instelling, inmiddels van Stedelijk en Bisschoppelijk Museum omgedoopt tot Breda's Museum, geheel onder de hoede gesteld van de plaatselijke overheid. En de Vereniging Vrienden van Breda's Museum, ongeveer 750 in getal, heeft in zekere zin de rol overgenomen van de notabelen van honderd jaar geleden.
"De vereniging heeft van meet af aan heel veel, vaak kostbare voorwerpen voor het museum verworven en doet dat nog steeds. In het begin struinden de leden bijvoorbeeld de schuttersgilden in en buiten de stad af, want veel hielden op te bestaan. Ook de archeologie is dan al vertegenwoordigd. De vereniging heeft zich altijd gericht op de Baronie, stad en land van Breda", aldus Grosfeld.
En, zo zegt de museumdirecteur vervolgens: "Uiteraard is het aanleggen van zo'n collectie een romantisch idee. Van Gogh zei: 'Wat is het jammer dat er zoveel rieten daken zijn verdwenen'. Nou, die bewoners waren indertijd hartstikke blij met hun nieuwe dak. Nu ervaren we de euro als raar, hoewel je er gewoon sinaasappelen mee kunt kopen. Maar potverdomme, het is wel ten koste gegaan van onze gulden, zeggen we dan. We benadrukken het eigene om ons goed te voelen in het grotere verband, in dit geval de Europese Unie. Om precies dezelfde reden zijn die notabelen van honderd jaar geleden met verzamelen begonnen."

Verzamelen
Dat vertrekpunt verlaat het museum steeds meer, hoewel het zijn collectie nog wel uitbreidt. Grosfeld: "Het streven om delen van onze geschiedenis, schaal één op één, te bewaren en te presenteren, is in Breda niet aan de orde. Dat gebeurt bijvoorbeeld wel in het Openluchtmuseum in Arnhem, waar het bij een illusie van een veelal romantisch beeld van het verleden blijft. Vooral als daar acteurs in historische kostuums opdraven, wordt dat pijnlijk duidelijk. Ik doe liever een stap naar achteren en wil onze bezoekers juist inzicht geven in de menselijke creatie die geschiedenis eigenlijk op de eerste plaats is. Dat 'eigene' van stad en streek is grotendeels ook zo'n fictief idee, waarvan ik me afvraag hoe lang het in die vorm nog zijn functie heeft. Wat zou je met dat denkmodel tegenwoordig nog moeten verzamelen? Een interieur van een bankfiliaal? Maar die zien er toch overal hetzelfde uit?"
"Op Tijdspiegels, een van onze vaste exposities, laten we het roer van het turfschip zien. Eeuwenlang is serieus aangenomen dat het een reliek was van het beroemde turfschip. Op een gegeven moment is gebleken, wetenschappelijk aangetoond, dat het vrijwel zeker níet het roer van het turfschip is. Het is toen terzijde geschoven. Wij halen het weer uit het depot en zetten het terug in het museum om aan te tonen dat mensen heel lang hebben geloofd in dat roer. En zo laten we met het Niervaart-retabel zien dat de kerk eeuwenlang campagne heeft gevoerd om de mensen in de heilige hostie te laten geloven én dat die campagne in deze contreien een succes is geweest. Met die aanpak kan het museum in de 21e eeuw wel vooruit. In de toekomst wil ik dan ook meer en nog mooiere exposities à la Tijdspiegels maken."

Hedendaagse kunst
De instelling van Grosfeld is het cultuurhistorisch museum van de Baronie van Breda. Een ontwikkeling in kunsthistorische richting heeft zich de afgelopen honderd jaar in het museum niet voorgedaan, hoewel het wel een beelden- en schilderijencollectie bezit. "De Beyerd heeft in het verleden een poging gedaan om kunstmuseum te worden, maar wordt nu het Nationaal Museum voor Grafische Vormgeving", aldus Grosfeld. "Wij hebben onlangs een deel van de Beyerdcollectie en ook een deel van de artotheekverzameling overgenomen. Totaal tweehonderd werken van Bredase kunstenaars of kunstenaars met een band met de stad. Voorheen waren we ontslagen van het exposeren van hedendaagse kunst, maar met deze uitbreiding van de collectie gaan we in de toekomst wel het een en ander doen."
Breda's Museum heeft vorig jaar een dependance geopend in een van de huisjes op het Begijnhof, waar 'het verhaal' van de Bredase begijntjes wordt verteld. Directeur Grosfeld ziet mogelijkheden voor meer satellieten in de stad, in een toren van het Spanjaardsgat, de Kloosterkazerne en de Grote Kerk bijvoorbeeld. Volgens hem kan daarmee het toerisme in Breda en ook het museumbezoek enorm worden aangemoedigd.
Over het huidige bezoekersaantal, dat schommelt tussen de 20.000 en 25.000 per jaar, zegt Grosfeld: "We voldoen daarmee aan de doelstelling zoals afgesproken bij de verhuizing. Dat wil niet zeggen dat ik dik tevreden ben. Rondom het museum wordt al jaren gebouwd. Pas als dat voorbij is, zijn we goed bereikbaar voor het publiek. Verder ben ik van mening dat stad en museum gelijke tred moeten houden in hun ontwikkeling."