[ links]   []   [archief]   [index]

[<<<] [Project 0] [>>>]

"Leidsche Rijn verbergt een Romeinse schat"

 Leidsche Rijn verbergt een Romeinse schat
Een team van archeologen graven dit voorjaar het Romeinse schip op dat in 1997 is gevonden in de -Vinexlocatie Leidsche Rijn bij Utrecht. De verwachtingen zijn hooggespannen. De 21 meter lange platbodem lijkt helemaal intact en herbergt vermoedelijk een schat aan voorwerpen. Begin maart gaat de eerste spade de grond in.
Al ben je nog zo'n goed archeoloog, zonder een dosis geluk vind je niet veel. En geluk had de Utrechtse archeoloog Erik Graafstal die dag in september 1997. "Krankzinnig veel", zegt hij achteraf. Bij het graven van een waterpartij voor de nieuwbouwwijk Veldhuizen bij De Meern stuitte de graafmachine op een stel eiken balken, die bij nadere bestudering het fundament vormden van de lang gezochte Romeinse weg die pal langs de Rijn liep. Toen de graafmachine even verderop weer zijn tanden zette in de natte rivierklei, nu voor het slaan van een put voor het droogmalen van het stukje weg, begon het nogmaals te kraken. Als klap op de vuurpijl kwam het achterste deel van een Romeins vrachtschip te voorschijn. Door de hoge waterstand en de klei was het hout prima bewaard gebleven.
Bij een eerste, verkennende opgraving in de dagen daarna bleek dat de 21-meter lange platbodem vermoedelijk nog helemaal intact is, met alles erop en eraan. Zo werd er een gereedschapskistje gevonden met een slotje erop, waar de sleutel nog inzat. Ook vonden de archeologen een soldatenschoen en een fibula, een speld, in het schip. Verder zaten er nog ijzeren ringen aan boord. Het schip is nog behoorlijk compleet, zo verwachten de wetenschappers. Na de verkennende opgraving werd het schip voorzichtig toegedekt met natte klei. De archeologen stonden dan wel te popelen om het schip te bergen, de gemeentelijke overheid reageerde minder enthousiast. Het archeologisch onderzoek in Leidsche Rijn, de nieuwe Vinexlocatie die bij Utrecht verrijst, was toch al een kostbare aangelegenheid en de berging zou al gauw in de honderdduizenden euro's lopen. Daarnaast is het beleid: wat niet per se opgegraven hoeft te worden, laten de archeologen in de grond zitten voor volgende generaties. Die beschikken dan mogelijk over betere onderzoeksmethoden. Het schip lag veilig aan de rand van een waterpartij en kon daar best blijven liggen, zo leek het.
Maar in de loop van 2000 bleek dat opgraven toch noodzakelijk was. Metingen van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) wezen uit dat de situatie ondergronds was veranderd. Door bemalingen voor bouwwerkzaamheden was zuurstofrijk water van elders aangetrokken. Dit betekende dat het schip, dat bijna 2000 jaar veilig in de klei had gelegen, er binnen enkele jaren uit moest, anders zou het gaan rotten.

Kennis
De berging ging het budget en de technische mogelijkheden van de stad Utrecht ruim te boven. Na lange onderhandelingen stelde het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen 600.000 euro beschikbaar. De operatie zou plaatsvinden onder coördinatie van het Nederlands Instituut voor Scheeps Archeologie in Lelystad, dat gespecialiseerd is in het Nederlandse maritieme erfgoed. Behalve de nodige kennis is in Lelystad ook de techniek aanwezig om grote schepen te restaureren. Onderzoeksleider André van Holk zit in zijn werkkamer op het instituut met uitzicht op de replica van de 17e eeuwse Batavia die op de woeste golven van een februaristorm in de haven dobbert. Hij legt de laatste hand aan het draaiboek voor de opgraving in Leidsche Rijn. Daarbij gaat het van het slaan van een damwand tot het regelen van slaapplaatsen in een oude boerderij voor zijn onderzoeksteam.
Van Holk, die het afgelopen najaar een 18e eeuws Fins vrachtschip bij Urk heeft opgegraven, kan zich al verheugen op het werk in de natte klei van Leidsche Rijn. "Het Romeinse schip is internationaal gezien een unieke vondst. Het is het enige schip ten noorden van de Alpen dat vermoedelijk nog compleet is. Het is met lading en al vergaan. Er zijn in Nederland bij Zwammerdam en Woerden (eveneens in de vroegere loop van de Rijn die bij Katwijk de Noordzee instroomde) ook al Romeinse schepen gevonden, maar die zijn door de Romeinen hergebruikt als zinkstuk of kademuur. Daarvoor werden ze eerst volledig gestript. Dit schip is vermoedelijk met man en muis in een woeste storm vergaan en in de golven verdwenen." Hij laat foto's zien van het gereedschapskistje dat bij de verkennende opgraving is aangetroffen. "Kijk, er zat een beiteltje in. En hier is een breeuwijzer, dat werktuig werd gebruikt om de naden tussen de planken waterdicht te maken. Daar gebruikten de Romeinen mos voor. Er is een schoenzool gevonden beslagen met spijkers. Dat duidt erop dat die van een soldaat was. Aan de hand van deze vondsten kunnen we te weten komen wie er aan boord waren en hoe die mensen leefden." Van Holk verwacht niet dat er nog resten van mensen gevonden worden. "Neen, die zijn vermoedelijk overboord geslagen of gesprongen. En als dat niet gebeurd is, zijn ze wel van boord gespoeld."
Jaagpaden
Het vrachtschip is vermoedelijk afkomstig uit Duitsland en stroomafwaarts gevaren. Het is bekend dat Romeinen met kleine schepen ook tegen de stroom op konden varen want er zijn ooit aanwijzingen gevonden voor jaagpaden. Maar het gevonden vrachtschip was daar te groot voor. Vermoedelijk werden zulke grote schepen eenmalig gebruikt en op plaats van bestemming onttakeld. Uit onderzoek van enkele stukjes aardewerk, gevonden bij het vrachtschip, staat al vast dat het schip in ieder geval van na 140 na Christus is. Maar aan de hand van de jaarringen van het hout van de planken, moet het straks mogelijk zijn een meer exacte datum te geven. "Je kunt zo'n patroon van smalle en brede jaarringen goed vergelijken met het standaardpatroon, zodat je precies de leeftijd kan vaststellen. Ook kan je zo te weten komen in welk gebied het hout gekapt is. Ieder gebied kent namelijk haar eigen specifieke groeiomstandigheden en die vind je terug in het ringenpatroon. We vermoeden overigens dat het hout uit Midden-Duitsland komt." Het schip is vergaan op de Rijn, die toen nog via Utrecht naar Katwijk stroomde. Pas in de vierde eeuw verzandde deze arm en verlegde de rivier haar loop. De Romeinen gebruikten de rivier als de natuurlijke noordgrens van hun rijk.
Wachttorens
De oudste vondsten van de Romeinen in Nederland dateren uit de eerste eeuw na Christus. Vrijwel meteen na hun komst richtten ze op de zuidoever een keten op van in totaal 17 legerkampen, castella. Zo lag er op het Domplein in Utrecht een castellum en even verderop een in De Meern. Hier waren zo'n 400 soldaten gelegerd. Dit najaar werden in Leidsche Rijn twee wachtorens gevonden, die er vermoedelijk op wijzen dat de grens veel zwaarder is bewaakt dan tot nu toe was aangenomen.

De Romeinen gebruikten de rivier niet alleen als natuurlijke grens, ook visten ze er. Bij een zo'n wachttoren werden al enkele palingfuiken van wilgentenen gevonden. Verder vormde de rivier een onmisbaar transport- en communicatiemiddel. Grote partijen hout, bijvoorbeeld nodig voor de aanleg van de weg naast de rivier, werden over de Rijn aangevoerd vanuit bossen in Neder-Germanië (Duitsland). Ook de stenen, waarmee de castella later werden opgebouwd, kwamen uit Duitse groeves. Het is nog onbekend wat de lading is van het schip uit De Meern. Van Holk: "Misschien zaten er wel dakpannen in. Dat zou het onderzoek snel vooruit helpen, want de Romeinen zetten op dakpannen het stempel van het betreffende legioen. Dan weten we dus precies naar welke plaats het schip op weg was. Maar, dat is speculatie. Misschien vinden we wel geen lading aan boord, maar daar ga ik niet vanuit."

De opgraving van het Romeinse schip begint eind maart. Rondom het 21 meter lange en 3,5 meter brede schip wordt een damwand geslagen.
Zodra het schip bloot ligt, wordt het van alle kanten opgemeten. Dit is een bijzonder specialistisch werkje, waarvoor een team Deense wetenschappers een paar weken over komt.
Het vaste onderzoeksteam bestaat naast Van Holk uit twee veldtechnici uit Lelystad en vier vaste stagiairs. Zodra de opgraving gaat beginnen kan het team al naar gelang de vondsten een beroep doen op allerhande specialisten: houtdeskundigen, pollenspecialisten, botanici, glas-, bot-, leer-, en aardewerkexperts, fysisch-geografen.
Het graafwerk moet uiteindelijk eind mei, begin juni zijn afgerond. Dan vindt de voorbereiding voor het vervoer richting Lelystad plaats, waar het schip geconserveerd wordt.
Na verder onderzoek gaat het schip in zijn geheel in een gigantisch bad met kunsthars. De bak wordt gevuld met een mengsel van water en polyethyleenglycol. De houtcellen die in de loop der eeuwen zijn gevuld met water, worden tijdens dit proces gevuld met kunsthars. Dat zorgt ervoor dat het hout weer stevig en hard wordt. Het chemische proces duurt zo'n anderhalf jaar.